Skiff
De telefoon gaat. Met zachte stem, in zorgvuldig gekozen woorden vertelt Ann over de laatste levensfase van haar man Ben. Een grote, sterke, sportieve man, die zijn hart verpand had aan de roeisport. Tot voor kort roeiden zij nog samen met veel enthousiasme bij de plaatselijke door Ben zelf opgerichte roeivereniging. Vroeger had hij met de nationale ploeg meegedaan aan de Olympische Spelen. Ze besluit: “Kom je vanmiddag? Ik wil eerst nog even wandelen.”

De kamer in het verpleeghuis ademt rust en warmte uit. Ann staat op uit haar stoel naast het bed van haar man, vertelt over zijn wensen omtrent zijn afscheid en serveert een glas Men’s Tea. Want de meeste mensen die bij Ben op bezoek kwamen, waren mannen. Later op de middag doen we Ben uitgeleide. Ann heeft voor alle medebewoners en medewerkers een persoonlijk woord.
Geroerd begeleidt ze haar Ben naar huis, waar familie en vrienden hem verwelkomen. In de volgende dagen maken vrienden een baarplank uit de oude kastanjeboom uit de tuin. Gedroogde houtsnippers dienen als matras. Het is een komen en gaan van familie en vrienden, iedereen heeft een taak.
De zon is nog maar net op, wanneer de boerenkar en twee Friese paarden hun opwachting maken. Ann neemt de regie en geeft het roeicommando: Opgelet - tillen - gelijk - nu! Langs een erehaag van buren vertrekt Ben voor een laatste rit door zijn geliefde omgeving. Bij het hotel is het een drukte van belang. Het is muisstil als de boerenkar door een erehaag van riemen voor de ingang stopt. Dan klinkt Anns heldere stem: Opgelet - tillen - gelijk - Nu!
Erna Jansen





