Cultuur en uitgaan

De namen van het Alddjip en de Boarn (2)

Alddjip of Boarn
Alle Friese rivieren lopen vanuit het oosten in westelijke richting. Dat is al het geval sinds de op een na laatste ijstijd. Lende en Tsjonger stromen nog steeds zo, maar met het Alddjip of de Boarn zit het anders. Tijdens de laatste ijstijd – toen er hier geen ijs was, maar het wel heel koud was – stoof de oude bedding zo ongeveer ten zuiden van (het latere) Beets dicht. De rivier vond tenslotte een nieuwe bedding, in noordelijke richting. Er wordt wel verondersteld dat de Tsjûkemar mede is ontstaan in die oude, verzande bedding van het Alddjip. In het oostelijke deel, vanaf Beets, zal men het stroompje als een ‘beek’ hebben beschouwd. De naam Beets (sinds de 14e eeuw) is daarvan een bewijs. De nieuwe bedding, westelijk van dat oude dorp, kreeg veel later de naam Alddjip en verder stroomopwaarts de Boarn.

Afbeelding
3225-Gbis-030-Opsterland_0
Naamkundige en cultuurhistorisch onderzoeker Karel F. Gildemacher gaat in het tweede deel van het verhaal van de maand verder in op de achtergrond van de namen Alddjip en Boarn. Ook de namen van talrijke zijriviertjes in het gebied komen aan bod.

Border, ‘grens’
Al vroeg na het einde van de laatste ijstijd zijn er mensen in Fryslân geweest. Vondsten uit de steentijd maken dat duidelijk. Die mensen waren hier tijdelijk. Permanente bewoning is er pas zo’n tweeduizend jaar. Het klimaat werd vanaf ongeveer tienduizend jaar geleden gunstiger. Er waren enorme pakketten veen ontstaan en vanuit de kleigebieden trokken bewoners geleidelijk via riviertjes het moeilijk toegankelijke gebied binnen. Mensen zullen ook toen het water in hun omgeving met een naam hebben benoemd.

Veel wateren kregen een naam die verband hield met een bepaalde eigenschap. Een ‘djip’ heeft men waarschijnlijk diep gevonden. Behalve eigenschappen van het water zelf, werd ook de functie soms in een naam verwerkt. Een ‘feart’ heet zo omdat erop varen de belangrijkste functie van dat water was. Een ‘sleat’ had oorspronkelijk als belangrijkste functie dat je er een stuk van een ander perceel mee kon afsluiten. Met de naam ‘Boarn’ waren sommigen vroeger snel klaar: ‘borne’ is ‘bron’ en naar dat opborrelende water is de rivier genoemd. Zelfs de plek van de bron – in de kerk van Aldeboarn – was bekend, vertelde men, en ook waren er verhalen die deze verklaring ‘bewezen’. Ten onrechte werd er geloof aan gehecht.

De naam Boarn hangt samen met de functie van de rivier, het was een grenswater tussen de twee belangrijkste delen van de provincie: Westergo en Oostergo. In het eerste millennium onderscheidde men twee grote eilanden in Fryslân, het meest westelijke was Uuistrachia, later bekend als Westergo en het oostelijke Austrachia, Oostergo. Helemaal in het zuiden, langs de rivier die Flevo of Fli werd genoemd en verder in Zuidwest-Fryslân, lag Sudergo. Dit gebied is tegen het einde van het eerste millennium grotendeels verdwenen met het ontstaan van de Zuiderzee. Het later bekende Zevenwouden (sinds de 16e eeuw) werd het derde zogenaamde kwartier van het ‘nederland’ Friesland. Het omvatte echter een ander gebied - waaronder de Friese Zuidoosthoek - dan het oude Sudergo.

De Boarn is de oudste Friese waternaam. We danken de vermelding aan de Franken die hun belangrijke historische gebeurtenissen hebben vastgelegd. Karel Martel wilde zijn rijk uitbreiden. Hij had in de achtste eeuw moeite met de Arabieren, die hij in 732 bij Poitiers versloeg en terugjoeg over de Pyreneeën. Maar hij had ook moeite met de Friezen, die uiteindelijk in 734 werden verslagen, ‘super Bordine fluvio’: aan de rivier de Boarn. Vaak is Bordine dan ook als oorspronkelijke naam aangemerkt, maar dat is onjuist. De Frankische klerk heeft in zijn in het Latijn geschreven kroniek een ‘verlatijnste’ variant van de naam gebakken. De monnik die enkele tientallen jaren later een kampeerplaats van Bonifatius aanhaalde, schrijft: ‘ripam fluminis quod dicitur Bordne’. Dat was dus aan de oever van de rivier die Boarn wordt genoemd. Die naam was gekozen omdat de rivier de grens, de ‘border’ (in het Engels) was. Een border is ook een perk langs de rand van de tuin en een boord is het einde van je trui. Passend bij het Friese waternamenpatroon vind je zeker vanaf de 14e eeuw naamvarianten waar ‘ee’ aan de oude naam is toegevoegd.

Het is heel normaal dat een water verschillende namen heeft of dat delen (de zogenaamde panden) van het water anders worden benoemd, maar het bepalen van de grenzen van die panden is vaak ingewikkeld. Het is lastig te bepalen waar het Alddjip eindigt en de Boarn begint. Het zou onlogisch zijn dat de rivier bij Aldeboarn niet Boarn zou heten. Wat betreft Easterboarn ligt het al lastiger, want die nederzetting is immers heel goed als de oostelijke buurschap van het moederdorp te beschouwen. Goed te verdedigen is de stelling dat de naam Boarn eindigt op de plek waar de rivier niet meer de grens tussen Oostergo en Westergo vormt. Praktisch gezien gaat het dan om de streek net oostelijk van Akkrum/Nes. Op historische kaarten vind je de naam de Boarn trouwens soms nog wel tot nabij Beetsterzwaag, maar dat is ‘historisering’. Bij de oudste naamsvermeldingen gaat het om de rivier die tussen de twee grote klei-eilanden stroomde. De beroemde slag aan de Boarn vond waarschijnlijk dan ook ergens tussen Raerd en Stiens plaats.

Mûzel
Grote veranderingen in de 12e eeuw maakten dat de Boarn, die vanaf de Raerder Fûke was uitgegroeid tot Middelzee, in hoog tempo dichtslibde. Het water uit het oosten kon niet meer richting Waddenzee afstromen. Om te voorkomen dat het midden van de provincie een meer werd, groef men vanaf het klooster bij Ealsum een kanaal naar het zuidwesten, de Wjittering. Via de Snitser Mar vond het water dan een weg naar de Zuiderzee. De (oude) Boarn werd afgedamd vlak ten noorden van Jirnsum (dat deel van het dorp heette trouwens ook wel Bornsterburen). In die dam kwam een sluis voor de scheepvaart richting Grou. Als klein stroompje liep de rivier verder naar Raerd. Dat nog altijd goed zichtbare pand heet Mûzel (naam bekend sinds 1512). Men heeft weleens gedacht dat het riviertje net zo heette als de Duitse Moezel en men schreef soms Mosella (Kleine Maas), maar de naam is een afleiding van een woord verwant aan ‘mos’: laag, moerassig land. In de naam Musselkanaal zit hetzelfde woord.

Het pand van de rivier tussen Akkrum en het huidige Prinses Margrietkanaal heet ‘Kromme Knilles’. Het is een oorspronkelijke volksnaam die waarschijnlijk is ingegeven doordat dit pand van de rivier de meeste en ook de scherpste bochten telt. Net zo’n soort naam heeft het pand van de Boarn langs Jirnsum. Dit ‘Rak fan Ungemak’ is voor schippers lastig te bevaren geweest.

Muwediep
De Boarn kreeg er stroomafwaarts steeds meer water bij. Tal van kleinere en grotere beekjes en zijrivieren liepen erin uit. Soms worden die als ‘Ee’ aangehaald. Het terugvinden ervan is moeilijk vanwege de veengraverijen en de daaropvolgende ontginningen. Van de Alde Ie (naam bekend sinds 1592) die vanuit Kortezwaag richting de Boarn meanderde zijn nog wel sporen te vinden. Dit ‘diep’ was een belangrijk water, niet alleen voor waterafvoer, maar ook voor turftransport. De plek waar dit diep in de Boarn uitkwam, staat in de 19e eeuw bekend als het Moerdiep. Die naam lijkt, en leek ook destijds, logisch want ‘moer’ heeft te maken met veen. In de 18e en 17e eeuw noemde men het echter Moediep. En dat is de oorspronkelijke naam volgens een vermelding uit 1543: Muwe diep. Dat ‘muwe’ is ontstaan uit ‘muthe’, mond, monding (zoals in Muiden en IJmuiden). Als je het woordje ‘oude’ vergelijkt met ‘ouwe’, dan zie je dat zo’n aanpassing van Moediep naar Moerdiep voor de hand ligt. De naam laat een spoor zien van het Friese taalverleden, want het oude woord voor monding gebruiken we niet meer.

Wispel
De grootste zijrivier in Opsterland was de Wispel. De nederzetting Terwispel betekent ‘aan de wispel’. Op grond van die plaatsnaam – Wispolia in een Latijnse variant uit 1315 - is duidelijk dat het water al in de 14e eeuw zo heette. De waternaam zelf vinden we pas in de 17e eeuw. Een breed deel heette later Wide Wispel en een smaller deel, naar de overgang met de Boarn, was de Wispelhals. Men heeft wel gedacht dat de naam verband houdt met ‘kwispelen’, wat een hond doet met zijn staart. Je zou dat terugzien in de talrijke meanders. Het lijkt echter veel waarschijnlijker dat de naam samenhangt met het Engelse ‘to whisper’, Nederlands ‘lispelen’, ouder Nederlands ‘wispelen’. Het motief om de rivier zo te benoemen zal dan in het zacht stromende, licht ruisende van het water hebben gelegen. Je vindt dat motief ook bij de namen de Lauwers en de Lende.

Ie, Dracht, Luts
Bij rivieren die door laaggelegen land stromen zie je dat veel kleine wateren zich aansluiten bij een groter water, waardoor je echt van een rivier en zijrivieren kunt spreken. Met de Boarn was dat ook het geval. Een van de grootste zijrivieren was waarschijnlijk de Ie (met diverse namen), die bij Drachten uit de Noarderdrait en de (Alde) Drait via het Gaaster Djip naar het westen stroomde. Nu eindigt die loop in de Peanster Ie, maar wellicht stroomde deze zijrivier ongeveer langs de Flearbosksleat in de Boarn.

Van de riviertjes die vanuit het zuiden naar het noorden liepen, en nabij Akkrum in de Boarn uitliepen, was de Dracht (naam bekend sinds 1542) eens belangrijk. Die begon nabij Oudeschoot en liep dan ongeveer recht naar het noorden, langs Haskerdijken. Op de zandige bodem is later een deel van de oude weg Leeuwarden – Zwolle aangelegd. En dus ook de weg van de belangrijke winkelstraat in Heerenveen die ernaar genoemd is. Ook bij Gorredijk kwam (1552) een Dracht voor, maar die werd ook Alde Ie genoemd. Dracht wijst op langzaamstromend water. Dat geldt ook voor Luts, water dat door het landschap ‘lekt’. Een water met zo’n naam, Leets, Lits, vinden we eind 15e eeuw onder Haskerdijken en dat watertje liep dan langs Lekkerterp (!). Ook bij Terwispel was in de 16e eeuw trouwens een Leyts. Alle zijrivieren hebben hetzelfde karakter. Langzaam kabbelende veenstroompjes. Het past allemaal prachtig in het schitterende beekdallandschap Ald- of Keningsdjip.

Meer Lezen
Karel F. Gildemacher deed veel onderzoek naar namen van waterwegen. Hij publiceerde over dit onderwerp in ‘Het Friese Water’, in 2015 uitgegeven door Bornmeer in Gorredijk. In 1993 verscheen bij de Fryske Akademy van zijn hand ‘Waternamen in Friesland’.

Heeft u ook een verhaal?

‘Het verhaal van de maand’ is een project van de Stichting Beekdallandschap Koningsdiep | de Nije Boarn. De stichting wil de reputatie en identiteit van het beekdal, van Jirnsum tot Bakkeveen, versterken. Onderdeel van het project is het vergaren van verhalen over de geschiedenis en het landschap van het beekdal. Verhalen zoals alleen bewoners die kunnen vertellen, omdat ze het beekdal op hun duimpje kennen, uit eigen ervaring of uit de verhalen van heit en mem, pake en beppe. De verhalen verschijnen op de website van de stichting en deels ook in Sa! Heeft u ook een interessant verhaal? Stuur het dan in via beekdalkoningsdiep.nl.