Cultuur

De bijzonder historie van het corso in Lippenhuizen

Het is het voorjaar van 1954. In Lippenhuizen gaan tienduizenden plantjes de grond in, vooral asters en afrikaantjes. Bij particulieren thuis, maar er zijn ook boeren die een stuk land ter beschikking stellen en er zelfs een haverakker voor omploegen. En dat allemaal dankzij meester Bosga. Het hoofd der lagere school in het dorp is al jaren een van de drijvende krachten achter het Liphúster feest, dat is uitgegroeid tot een evenement dat jaarlijks veel mensen naar het dorp trekt. Maar ter gelegenheid van de 75e editie wil Bosga wat extra´s organiseren, iets bijzonders. Het wordt een bloemencorso, een fenomeen dat in het noorden al bekend is in Eelde en Frederiksoord, maar Bosga is ook al eens in Aalsmeer gaan kijken. 

Afbeelding
Het was bijna twintig jaar lang een fenomeen. Het bloemencorso van Lippenhuizen trok tussen 1954 en 1972 jaarlijks tienduizenden bezoekers naar het dorp. Ze vonden het prachtig. Het weer en de beschikbaarheid van de bloemen zorgden bij de organisatie echter altijd voor spannende dagen.

Politiekapel
Op zondagmiddag 22 augustus om half twee is het zover. De feestcommissie heeft van de gemeente Opsterland toestemming om de doorgaande wegen af te sluiten. Zo is het mogelijk om entreegeld te vragen, een kwartje per persoon. De optocht is meer dan alleen versierde bloemenwagens. Naast een aantal muziekkorpsen uit de regio heeft de feestcommissie de Amsterdamse Politiekapel weten te strikken; ook een flink aantal politieruiters loopt mee. De kapel geeft later in de feesttent nog een concert. De voorbereiding is goed verlopen, maar op de dag zelf zit het niet mee. De zon blijft weg, regen is er wel.

Verkeerschaos
Toch zijn de organisatie en het dorp enthousiast. Het corso krijgt een vervolg. Een jaar later melden zich al 15.000 toeschouwers in Lippenhuizen. Het zijn aantallen die de jaren daarna ook met gemak worden gehaald. Krantenberichten uit 1959 spreken al van 25.000 toeschouwers en in 1961 wordt zelfs gesproken van 40.000 toeschouwers, al lijkt dat wel erg veel. Op de dag van het corso is het al vroeg druk in het dorp. De toegangswegen stromen vol. Ondanks ruime parkeergelegenheden op boerenland aan alle kanten van het dorp, staan er ook langs de weg lange rijen geparkeerde auto´s. Het publiek komt van ver.

Entree
Iedereen moet bij binnenkomst in het dorp betalen. Het begint met een kwartje, maar in 1956 volgt al een verdubbeling naar 50 cent. Later wordt het een gulden. Dat levert in 1960 in de krant zelfs een ingezonden brief op van een meneer Prins uit Amsterdam. ´Hetgeen in Lippenhuizen getoond werd, was de bewondering waard en verdient alle lof. Het moet mij van het hart dat het getoonde in geen enkele verhouding staat tot de hoge entreeprijs. Het komt mij onbegrijpelijk voor dat een gemeentelijke overheid dergelijke te hoge entreegelden tolereert voor een evenement dat notabene op de openbare weg plaatsvindt.’ Toch houdt de entreeprijs de mensen niet tegen. De bezoekersaantallen zijn hoog en de krantenverslagen zijn enthousiast.

Aanvoer bloemen
De saamhorigheid in het dorp rond het corso is groot. Per buurt of vereniging werkt een klein groepje lang aan de bouw van de wagen. Maar in de laatste dagen is er geen excuus. Iedereen moet meehelpen met het prikken van de bloemen. Lange, maar ook heel gezellige dagen. De aanvoer van de bloemen is ieder jaar spannend. Het inschatten van de benodigde hoeveelheid is lastig. In 1957 zijn er 25.000 plantjes en 3.000 dahliaknollen geplant, maar dat blijkt niet genoeg. In Eelde en Aalsmeer moet worden bijgekocht. In de jaren daarna komt het vaker voor dat de organisatie in de laatste dagen nog her en der in het land op zoek moet naar extra bloemen. Soms zijn er meer bloemen nodig dan gedacht, maar het komt ook voor dat de kwekers niet kunnen leveren wat ze hebben toegezegd. Bovendien valt de oogst ook weleens tegen. De bloemen moeten natuurlijk wel op het juiste moment bloeien. En dat is in de jaren vijftig en zestig nog niet altijd goed te sturen.

Verkeerde kleur
Er zijn ook onverwachte tegenvallers. In 1958 gaat men er in Lippenhuizen van uit dat er veel witte asters zijn geplant. Maar wanneer de knoppen zich openen, blijken ze ineens blauw te zijn. Zo´n onverwachte kleur komt vaker voor en dan is het een kwestie van improviseren. In het ergste geval schilderen ze een vlak uit nood maar in de juiste kleur. In 1959 arriveert op het laatste moment een mistspuit uit Bennekom om de dahlia’s op te frissen. Bloemen zijn er dat jaar genoeg. Sterker nog, er blijven 10.000 dahlia’s over.  Maar in 1961 zorgt een slechte voorzomer voor te weinig bloemen en koopt de organisatie op het laatste moment in Harderwijk nog 200.000 knolbegonias. Nadat een groot aantal dahliaknollen is verrot, besluit de organisatie voortaan de bloemen in te kopen en is het gedaan met de eigen teelt in het dorp.

Centraal thema
De eerste jaren bedenkt iedere buurt, vereniging of groep vrienden, die aan het corso deelneemt, een eigen onderwerp. Maar in 1959 krijgt het corso een andere opzet. Er is voor het eerst een centraal thema: Reizger… wêrhinne. Alle wagens geven hier hun eigen invulling aan. In datzelfde jaar is ook B. Homan voor het eerst van de partij. De tuinbouwonderwijzer van de Volkshogeschool Allardsoog geeft adviezen voor het ontwerp van de wagen en hij verzorgt cursussen bloemschikken. Het vlakken vol bloemen prikken lukt iedereen wel. Maar het maken van mooie boeketten vraagt meer kennis. Het resultaat is vanaf 1960 zichtbaar wanneer de corsowagens ook zijn voorzien van meer boeketten.

De ambitie bij de wagenbouwers neemt toe, de wagens worden steeds groter. In 1964 constateert een krantenverslaggever dat het niet meer lukt om alle wagens in de boerenschuren af te maken. De wagens moeten daarom eerder naar buiten, waardoor ook de buitenwacht eerder kan zien wat er is gemaakt. Hoge wagens maken het ook spannend. Het is nog de tijd dat er allerlei telefoon- en elektriciteitsdraden over straat hangen. Links en rechts zijn mannen aan het meten, want de wagens moeten er wel onder door kunnen. 

Niet meenemen
Voor het tiende corso in 1964 komen de mooiste ontwerpen van de afgelopen jaren weer op tafel. De organisatie sluit dat jaar een bloemenuitwisselingsakkoord met Eelde en Frederiksoord. De drie corso’s zijn week op week, met Lippenhuizen als eerste. Waar mogelijk gaan bloemen van het ene naar het andere corso. Vandaar dat er waarschuwende berichten in de pers verschijnen om de bloemen na afloop van het corso wel op de wagens te laten zitten. Sommige toeschouwers hebben namelijk het idee dat ze na afloop wel een bosje bloemen mee naar huis kunnen nemen.

Fakkels
Er zijn regelmatig nieuwe ideeën, het ene succesvoller dan het andere. In 1965 gaat het corso op maandagavond nog een keer rond, maar dan met fakkels verlicht. Dat pakt niet helemaal goed uit en een jaar later proberen ze het met de inzet van tractoren. Verlichting op accu’s moet de bloemen verlichten. Tractoren zijn voor de rest taboe in het corso van Lippenhuizen. Traditioneel trekken paarden de wagens door het dorp. De organisatie houdt daar tot op het laatst aan vast, ook al is het vinden van geschikte paarden wel steeds lastiger.

Verzekering
Het weer speelt het corso in het laatste weekend van augustus regelmatig parten. Wanneer het regent blijft het publiek weg, in 1968 zijn er bijvoorbeeld maar 6.000 betalende bezoekers. Dat scheelt de organisatie enorm veel inkomsten. Een regenverzekering brengt dat jaar financiële verlichting, maar nooit zonder discussie. Met de verzekeringsmaatschappij is het altijd lang discussiëren of er wel voldoende regen is gevallen om uit te betalen.

Artiesten
Maar is het weer goed, dan komen de mensen ook eind jaren zestig en begin jaren zeventig nog massaal naar Lippenhuizen. Er is ook genoeg te doen. Naast het corso is er vaak een programma met landelijke van televisie bekende artiesten. André van Duin maakt al als jonge artiest zijn opwachting in Lippenhuizen en dat geldt ook voor bijvoorbeeld Peter Koelewijn. In 1970 is de verkeerschaos rond Lippenhuizen zo groot dat de tv-sterren het dorp niet op tijd kunnen bereiken.

Riolering
Ondanks de tienduizenden bezoekers die jaarlijks naar Lippenhuizen komen, krijgt de organisatie begin jaren zeventig te maken met steeds meer problemen. De kosten van de bloemen en de organisatie stijgen maar door. De begroting ligt in 1972 al op 46.500 gulden. Maar dat jaar rest er na afloop een verlies van 6.600 gulden. Bovendien is het steeds lastiger om voldoende wagens te krijgen voor het corso. Het bedenken en maken van de wagens kost veel tijd en energie. Hoewel de kranten nog steeds laaiend enthousiast zijn over de kwaliteit van de wagens, raakt de fut er bij de Liphústers wat uit. Wanneer de gemeente Opsterland aankondigt in 1973 riolering aan te leggen in het dorp is men daar in Lippenhuizen om meerdere redenen blij mee. De Buorren ligt de hele zomer open en dus kan het corso niet doorgaan. In 1972 beleeft Lippenhuizen dan ook haar laatste corso, de 19e editie. Het Liphústerfeest is er nog ieder jaar, eens in de twee jaar met een optocht, maar zonder corso.

Voor dit artikel is dankbaar gebruikgemaakt van de plakboeken en kennis van dorpshistoricus Wytse van der Sluis. Hij was zelf ook jarenlang betrokken bij het corso. Wagens met zijn ontwerp wonnen zowel in 1969, 1970 als in 1971 de eerste prijs van de jury.

Kader

Eenmalige terugkeer
De viering van het 700-jarig bestaan van het dorp brengt het corso in 2016 nog een keer terug naar Lippenhuizen, op zaterdag om 15.30 uur en op zondag om 13.30 uur.