Cultuur

School Loevestein doet mee aan ‘Oorlog in mijn Buurt’

Erfgoeddragers

Oorlogsverhalen.
Oorlogsverhalen. Oorlogsverhalen. Auke Jongsma in gesprek met Tiemo BosmaSyda Jasper Tjallien Keimpema.
“Bent u weleens gesnapt, bij het buitenspelen na spertijd?”, wil Tieme van Auke Jongsma (91) weten. Gesnapt wel, gepakt nee. Zelfs niet toen Jongsma ’s avonds op de Stationsweg met een paar kameraden pardoes in de armen van enkele Duitse soldaten liep. “We stoven ieder een kant uit, in het donker konden ze ons nooit achterhalen. Vroeger was donker nog echt donker.”
Nog voordat Tieme, Tjallien en Sydo hun fietsen op slot hebben gezet, staat Auke Jongsma al in de deuropening van zijn aanleuningwoning. “Kom der mar yn, ik siet al op jim te wachtsjen. Hoe wolle jim my ynterviewe, yn it Frysk of yn it Hollânsk?” Liefst in het Nederlands, zegt Sydo. “Wat jullie willen. Verwacht geen sensationele verhalen, ik doe mee omdat ik gevraagd ben. Zoveel spannends heb ik nou ook weer niet meegemaakt in de oorlog. Ik was destijds nog maar een kind.” Maar met die opmerking slaat Jongsma precies de spijker op de kop. Dat is waar het om draait bij het project ‘Oorlog in mijn Buurt’, vindt Janny van Reenen die het drietal begeleidt. “Wij willen graag weten hoe u de oorlog hier in Gorredijk heeft beleefd.” De vrijwilligster van Tûmba maakt op de achtergrond aantekeningen om Jongsma’s verhaal later uit te werken, de kinderen stellen de vragen. Tieme, Tjallien en Sydo doen net als nog vijf interviewgroepjes uit hun klas mee aan ‘Oorlog in mijn Buurt’, dat drie jaar geleden in Amsterdam van start ging. De gedachte achter het doorvertelproject is de constatering dat de generatie die de Tweede Wereldoorlog aan den lijve heeft meegemaakt er over niet al te lange tijd niet meer zal zijn. Nu het nog kan, horen de kinderen uit eerste hand over de oorlogstijd in hun eigen buurt en dorp. Als ‘erfgoeddragers’ hebben ze de belofte gedaan om de verhalen door te vertellen. Zo blijft de herinnering aan de bezettingstijd levend, is het idee. School Loevestein bijt het spits af in Friesland.
De leerlingen komen niet onvoorbereid bij Jongsma op bezoek. In de aanloop vertelde Gerrit Fokkema, de laatste overlever van de spectaculaire ‘overval’ in Leeuwarden, op school hoe hij door het Fries verzet uit het gevang van de Blokhuispoort werd bevrijd. En van plaatselijk amateurhistoricus Tjeerd van der Wal, vrijwilliger bij het kazemattenmuseum, hoorden ze onder andere over hoe NSB’ers en de Duitse SD in Gorredijk huishielden.

Dertien jaar oud

Ook Jongsma heeft zich voorbereid. Hij haalt een oude krant tevoorschijn, van 10 mei 1940. “Op die dag begon het allemaal, mijn vader heeft de krant bewaard.” Hoe oud was hij toen, informeert Tjallien. “Dertien jaar, net iets ouder dan jullie nu zijn. Een paar dagen na de Duitse inval verhuisden we van Nijega naar de boerderij op Kortezwaag. Om zo weinig mogelijk op te vallen, gingen we met de koeien over allerlei binnenweggetjes. Niemand wist namelijk wat er ging gebeuren.” Jongsma heeft een plattegrondje gemaakt om duidelijk te maken waar destijds de ouderlijke boerderij aan de Badweg stond. Zijn toehoorders worden er niet echt wijs uit. “Waar wonen jullie dan?” In de buurt van de Roggeblom, zegt Sydo. “Ach ja, de andere kant van het dorp. Dat was toen nog allemaal boerenland. Gorredijk zag er in mijn jeugd heel anders uit.”
Tjallien laat zich er niet door van de wijs brengen: “Wie woonden bij jullie in huis en waar stond uw school?” Jongsma had twee broers en een zuster, ze gingen naar school in de Hoofdstraat, waar nu het museum is. Lopend, een fiets had je toen niet. “Jullie zullen het wel raar vinden, maar in die tijd keken leeftijdgenootjes uit het dorp een beetje neer op de boerenkinderen. Wij zagen er wat anders uit, onze moeder maakte alle kleren zelf.” Jongsma pakt er een oude schoolfoto bij. De kinderen halen hun schouders op bij de verschillen, het doet Jongsma zichtbaar deugd. “Jullie zijn ook zoveel slimmer dan wij op jullie leeftijd waren. Onze wereld was zo klein.”

Ruilen

Maar wat merkte hij dan van de oorlog, vraagt Tieme. De eerste twee jaar nog niet zoveel, vertelt Jongsma. Van de Duitse soldaten had je geen last, maar voor de Landwacht en andere NSB’ers moest je oppassen. Daar zaten vervelende machtswellustelingen tussen en daar kon je beter met een grote boog omheen lopen. Toch ging er een hoop mis, dat kwam door geklets. Mensen wisten hun mond niet te houden, daardoor werden anderen opgepakt. En hoe zat het met eten, wil Sydo weten. De meeste mensen kregen in de loop van het derde oorlogsjaar te maken met voedseltekorten, maar de Jongsma’s waren bevoorrecht, op de boerderij was melk en kaas. “Mijn ouders waren niet bang uitgevallen, die ruilden melk voor brood of andere producten ook al mocht dat niet. En mijn heit hield illegaal varkens, hij slachtte zelf.”
Heeft zijn familie ook anderen geholpen? Jazeker, Jongsma weet nog hoe in 1943 ineens twee vrouwen uit Rotterdam in huis kwamen, om aan te sterken. Pas aan het eind van de oorlog keerden ze weer terug naar huis. Maar hoe dat precies ging, weet hij niet meer. Tegen die tijd zat hij zelf ondergedoken bij kennissen in Lippenhuizen. Om de dwangarbeid in Duitsland te ontlopen, begrijpen zijn vragenstellers. Dat hebben ze al op school geleerd. Tieme: “En wat is nou het ergste dat u heeft meegemaakt?” Dat was toch wel het brandende vliegtuig dat vlak bij de boerderij neerstortte. “Een angstig gezicht, de piloot hing in zijn parachute bij ons in de boom.”

Zo’n andere tijd

Jongsma betwijfelt aan het eind van het gesprek of hij zijn interviewers wel voldoende informatie heeft kunnen verschaffen. “Het was dan wel oorlog, maar het was ook zo’n andere tijd. Daardoor zijn die verhalen voor jullie lastig te begrijpen.” Maar de erfgoeddragers stellen hem gerust, ze weten genoeg voor hun presentatie op 13 april. Jongsma komt toch ook?