
Daar stond hij op een zomerse dag in juni zomaar voor de deur. Teleurgesteld, boos en alles mislukt. In die gemoedstoestand trok Zoltan Koka (25) afgelopen zomer letterlijk aan de bel bij Annemarie Bongers en Bernard Tillema in Bakkeveen. Hij was welkom.
“Wat moet je doen?”, lacht Annemarie terugdenkend aan die zeventiende juni. “We hebben het er wel even over gehad, hoor”, merkt Bernard op. Sinds die tijd is het huis van Annemarie en Bernard thuis voor de jonge Hongaar.
Ze hebben een groot huis. Daar is naast de drie zoons wel plek voor een pleegkind, bedachten Annemarie en Bernard al in 1995. Ze besloten zich aan te melden als pleegouders, maar dat bleek niet eenvoudig. Annemarie: “En toen kwamen we in de krant een oproep tegen van Stichting Gastouders Hongarije. Ze zochten gastgezinnen voor Hongaarse weeskinderen. We hebben ons ingeschreven en een paar maand later hadden we de eerste jongen in huis. Hij was negen jaar, onze oudste zoon was toen zeven.”
In die beginjaren kwamen zo’n driehonderd Hongaarse weeskinderen twee keer per jaar naar Nederland. Om te leren hoe het is om een vader en moeder te hebben en om te leren hoe een familiesysteem in elkaar zit. Het verblijf duurde meestal vier tot acht weken; om een band op te bouwen was dat elk jaar bij hetzelfde gastgezin. Annemarie ging vaak met de bus mee om de kinderen uit Hongarije op te halen. “Dan bleven er ook veel kinderen achter, voor hen was geen plek.” Dat ging haar aan het hart. “Eigenlijk zou je ook iets voor die kinderen moeten doen, bedacht ik. Dus hebben we in 2004 Stichting Andrassy opgericht. Samen met Hongaarse jongeren organiseerden we vakantiekampen in Hongarije.”
Tegenwoordig is Stichting Andrassy in herbezinning; de groep Hongaarse jongeren is uiteengevallen. “Ze verdwijnen, trouwen, krijgen kinderen. Af en toe komt er nog een vraag om ondersteuning binnen.” Ook het aantal gastgezinnen in Nederland loopt fors terug. “Iedereen werkt tegenwoordig, mensen hebben geen tijd meer.” Toch blijft de band met Hongarije, hun deur blijft open voor wie dat nodig heeft. Dat Zoltan (rechts op de foto) bij hen voor onderdak aanklopte, is niet vreemd. Vanaf zijn negende jaar bracht hij de vakanties door in Bakkeveen. “Bij een ander gezin, hij heeft nooit bij ons gelogeerd. Maar hij kwam hier wel veel met onze zoons en gastkinderen spelen en voetballen.” Zijn eerste Nederlandse vakantie herinnert hij zich nog goed. “Ik was met iemand die al vaker was geweest. Hij sprak al wat Nederlands en vertaalde veel voor mij. ‘Goedemorgen’ was mijn eerste woord.”
Rond de kerst en in de zomer woont ook Jozsef Moravszki (31) bij Annemarie en Bernard. Hij studeert chemische technologie, een brede studie aan de technische universiteit in Hongarije. In Nederland probeert hij door te werken de studie te bekostigen. “Ik werk bij Oliehoorn in Hoorn.” Die vakantiebaan heeft hij te danken aan buurman Wim Dijk.
Ook Zoltan wil in Nederland graag werken. Hij heeft een baan bij een paardensportwinkel in Drachten. Elke ochtend stapt hij om zes uur op de fiets. Zijn doel is om later, als hij het Nederlands voldoende beheerst, te werken in de horeca. “In Hongarije volgde ik een horeca-opleiding, maar op mijn achttiende had ik mijn been kapot en kon ik de opleiding niet afmaken.” Hij ging in Duitsland aan de slag, deed ervaring op in diverse horecabedrijven in verschillende functies. Het ging niet. Dus besloot Zoltan op de bonnefooi af te reizen naar Bakkeveen.
Jozsef groeide op in drie weeshuizen. Hij kon goed leren, ging naar het gymnasium. “Toen moest ik uit het kinderhuis weg, ze waren niet blij dat ik een hogere opleiding ging doen.” Hij heeft zijn vader nog gekend, die kwam tot zijn zevende regelmatig langs in het weeshuis. “Mijn moeder leeft nog, die loopt ergens rond in Hongarije.” Jozsef had een gastgezin in Overijssel, zijn broer logeerde bij Annemarie en Bernard. Annemarie: “Ik was eens met zijn broer aan het fietsen in Overijssel. Daar kwamen we ineens Jozsef tegen. Sindsdien is onze band gegroeid.”
De twee Hongaren voelen zich thuis in Bakkeveen. Jozsef kookt graag, Zoltan helpt. ’s Zomers doen ze dat buiten in de Hongaarse heksenketel boven open vuur. Annemarie: “Soms worden ze door dorpsgenoten uitgenodigd om te koken.” Op de keukentafel ligt een Hongaars kookboek. De bladzijden vallen open bij een hazelnoottaart. “Die mogen we niet”, zegt Zoltan. Vanwege de suiker, zegt hij erbij. Annemarie lacht. “We doen mee aan Blue Zone en gebruiken maar weinig suiker. Maar we kunnen best een keer taart maken, hoor.”
“Wat moet je doen?”, lacht Annemarie terugdenkend aan die zeventiende juni. “We hebben het er wel even over gehad, hoor”, merkt Bernard op. Sinds die tijd is het huis van Annemarie en Bernard thuis voor de jonge Hongaar.
Ze hebben een groot huis. Daar is naast de drie zoons wel plek voor een pleegkind, bedachten Annemarie en Bernard al in 1995. Ze besloten zich aan te melden als pleegouders, maar dat bleek niet eenvoudig. Annemarie: “En toen kwamen we in de krant een oproep tegen van Stichting Gastouders Hongarije. Ze zochten gastgezinnen voor Hongaarse weeskinderen. We hebben ons ingeschreven en een paar maand later hadden we de eerste jongen in huis. Hij was negen jaar, onze oudste zoon was toen zeven.”
In die beginjaren kwamen zo’n driehonderd Hongaarse weeskinderen twee keer per jaar naar Nederland. Om te leren hoe het is om een vader en moeder te hebben en om te leren hoe een familiesysteem in elkaar zit. Het verblijf duurde meestal vier tot acht weken; om een band op te bouwen was dat elk jaar bij hetzelfde gastgezin. Annemarie ging vaak met de bus mee om de kinderen uit Hongarije op te halen. “Dan bleven er ook veel kinderen achter, voor hen was geen plek.” Dat ging haar aan het hart. “Eigenlijk zou je ook iets voor die kinderen moeten doen, bedacht ik. Dus hebben we in 2004 Stichting Andrassy opgericht. Samen met Hongaarse jongeren organiseerden we vakantiekampen in Hongarije.”
Tegenwoordig is Stichting Andrassy in herbezinning; de groep Hongaarse jongeren is uiteengevallen. “Ze verdwijnen, trouwen, krijgen kinderen. Af en toe komt er nog een vraag om ondersteuning binnen.” Ook het aantal gastgezinnen in Nederland loopt fors terug. “Iedereen werkt tegenwoordig, mensen hebben geen tijd meer.” Toch blijft de band met Hongarije, hun deur blijft open voor wie dat nodig heeft. Dat Zoltan (rechts op de foto) bij hen voor onderdak aanklopte, is niet vreemd. Vanaf zijn negende jaar bracht hij de vakanties door in Bakkeveen. “Bij een ander gezin, hij heeft nooit bij ons gelogeerd. Maar hij kwam hier wel veel met onze zoons en gastkinderen spelen en voetballen.” Zijn eerste Nederlandse vakantie herinnert hij zich nog goed. “Ik was met iemand die al vaker was geweest. Hij sprak al wat Nederlands en vertaalde veel voor mij. ‘Goedemorgen’ was mijn eerste woord.”
Rond de kerst en in de zomer woont ook Jozsef Moravszki (31) bij Annemarie en Bernard. Hij studeert chemische technologie, een brede studie aan de technische universiteit in Hongarije. In Nederland probeert hij door te werken de studie te bekostigen. “Ik werk bij Oliehoorn in Hoorn.” Die vakantiebaan heeft hij te danken aan buurman Wim Dijk.
Ook Zoltan wil in Nederland graag werken. Hij heeft een baan bij een paardensportwinkel in Drachten. Elke ochtend stapt hij om zes uur op de fiets. Zijn doel is om later, als hij het Nederlands voldoende beheerst, te werken in de horeca. “In Hongarije volgde ik een horeca-opleiding, maar op mijn achttiende had ik mijn been kapot en kon ik de opleiding niet afmaken.” Hij ging in Duitsland aan de slag, deed ervaring op in diverse horecabedrijven in verschillende functies. Het ging niet. Dus besloot Zoltan op de bonnefooi af te reizen naar Bakkeveen.
Nieuwe wereld
Jozsef komt al vanaf zijn vijfde in Nederland op vakantie. Die eerste keer herinnert hij zich goed. “Ik stapte in Zwolle uit de bus en toen kwam er een stevige mevrouw die me bij de trui pakte. Ze zei: jij gaat met mij mee.” Een beangstigende nieuwe wereld voor een vijfjarige. “Ik begreep de taal niet en mijn wereld hield op bij het hek van het kinderhuis.” Hij werd meegevoerd in de auto op weg naar zijn gastgezin. “Toen stopte de mevrouw midden in de weilanden. Ik kreeg chocola en cola, toen werd het een beetje mooier.”Jozsef groeide op in drie weeshuizen. Hij kon goed leren, ging naar het gymnasium. “Toen moest ik uit het kinderhuis weg, ze waren niet blij dat ik een hogere opleiding ging doen.” Hij heeft zijn vader nog gekend, die kwam tot zijn zevende regelmatig langs in het weeshuis. “Mijn moeder leeft nog, die loopt ergens rond in Hongarije.” Jozsef had een gastgezin in Overijssel, zijn broer logeerde bij Annemarie en Bernard. Annemarie: “Ik was eens met zijn broer aan het fietsen in Overijssel. Daar kwamen we ineens Jozsef tegen. Sindsdien is onze band gegroeid.”
De twee Hongaren voelen zich thuis in Bakkeveen. Jozsef kookt graag, Zoltan helpt. ’s Zomers doen ze dat buiten in de Hongaarse heksenketel boven open vuur. Annemarie: “Soms worden ze door dorpsgenoten uitgenodigd om te koken.” Op de keukentafel ligt een Hongaars kookboek. De bladzijden vallen open bij een hazelnoottaart. “Die mogen we niet”, zegt Zoltan. Vanwege de suiker, zegt hij erbij. Annemarie lacht. “We doen mee aan Blue Zone en gebruiken maar weinig suiker. Maar we kunnen best een keer taart maken, hoor.”






