Natuurbeheerder zoekt boer
Iedereen knapt op in de natuur. Dat is de diepe overtuiging van Natuurvertegenwoordiger Dennis Benedictus. “Je kunt nooit natuur genoeg hebben.” LTO-man Tjalling Nijboer zal het belang van natuur niet ontkennen. “Maar de boer wil weten waar hij aan toe is. Zonder die zekerheid valt geen bedrijf te runnen.”

Over twee zaken zijn Nijboer en Benedictus het roerend eens. Water staat op één: peilbeheer vormt de grootste opgave van de gebiedscommissie. Op twee: geld. Of beter, het ontbreken van voldoende middelen om de ambities voor het natuurherstel van het beekdal waar te maken. Nijboer: “Dan hebben we het over de aankoop van hectares.”
Collateral damage
Maar terug naar het heikele punt van het waterbeheer. Nijboer plaatst een kanttekening bij de tevredenheid die zijn twee voorgangers vorige week in Sa! uitspraken over de herinrichting van natuurgebied Poasen. “Dat loopt nog niet zoals verwacht. Wetterskip komt zijn afspraak niet na; vorige winter stonden weilanden onder water. En dat maakt mij huiverig voor de volgende plannen die op de tekentafel en op de rekenmachine kloppen.” Benedictus nuanceert en spreekt van ‘collateral damage’. “Het water in de Poasen komt van boven en van onder (regen- en kwelwater) en stroomt er ook nog eens doorheen. Aanloopproblemen heb je altijd bij ingewikkelde technische oplossingen.”
Participatie
Dennis Benedictus is teamleider SBB Zuidoost-Friesland; sinds januari vertegenwoordigt hij in de gebiedscommissie de drie natuurorganisaties (ook Fryske Gea en Natuurmonumenten). “Ik heb eerder klussen gedaan waarbij participatie belangrijk was, die richting moeten we onvermijdelijk op. De som van de delen bepaalt het geheel van beekdal Koningsdiep, dat is het cultuurhistorische spoor. Ook de natuur hier - bossen, heide, schrale gronden - bestaat bij de gratie van beheer, dat is in de historie altijd zo geweest.”
Tjalling Nijboer drijft met zijn broer een maatschap aan de Opsterlandse Compagnonsvaart in Hemrik. Hij zat al in het LTO-bestuur toen dat, in weerwil van een groot aantal van de leden, eind jaren negentig besloot mee te praten in de gebiedscommissie. ”Vooral de boeren van de oude stempel zeiden destijds: niet aan beginnen. Maar wil je bijsturen, dan moet je meedoen.” Hijzelf heeft dubbele gevoelens. Zeker, de natuur heeft ruimte nodig. Aan de andere kant heeft de ruilverkaveling de maatschappij veel geld gekost. “Dat draaien we nu weer terug. Maar ik zie nog niet de bereidheid om daar opnieuw de benodigde middelen voor op tafel te leggen.”
Kop uit het zand
De samenleving wenst natuur, maar schuift de verantwoordelijkheid daarvoor wel heel makkelijk door naar de boeren en de natuurorganisaties, menen beide mannen. “Onze sectoren lijken op elkaar”, zegt Benedictus. “Samen beheren we 87 procent van het grondgebied in Nederland.” En dat kunnen de boeren dan weer goedkoper dan de beheerorganisaties, merkt Nijboer op. Benedictus bestrijdt dat door te wijzen op de inkomenssteun die de agrarische sector geniet. Maar goed, dat leidt af van waar de discussie over zou moeten gaan: hoe verdeel je kosten voor de verduurzaming van de natuur? Zo vindt Benedictus het merkwaardig dat de waarde van particuliere huizen voor een groot deel wordt bepaald door de landelijke ligging en het omringende groen, zonder dat de bezitters daarvoor iets betalen. “Willen we vergroenen en verduurzamen dan moeten we de kop uit het zand halen en met elkaar de verbinding zoeken. Dit is niet een zaak van de boeren en de natuurorganisaties alleen.”
Vergrijzing
In de tussentijd moet volgens Nijboer worden voorkomen dat dwingende eisen de gang van zaken bij het natuurherstel gaan bepalen. “Ook al gaat het langzaam, we hebben gekozen voor vrijwillige uitruil en dat moet vooral zo blijven.” Van de boeren die hebben ingestemd met de verplaatsing van hun bedrijf, hoort hij tot nu toe positieve verhalen. Voor de aankoop van de resterende landbouwgronden zal de tijd in het voordeel van de gebiedscommissie werken, verwacht hij. ”De sector vergrijst en er hangen ons diverse zaken boven het hoofd die de bedrijfsvoering zullen bemoeilijken.” Nijboer noemt de aanscherping van fosfaatemissies en de toenemende druk op de uitzonderingspositie die Nederlandse boeren toestaat grotere hoeveelheden mest uit te rijden dan de Europese collega’s. “Ook de voortdurend lage melkprijs maakt slachtoffers. Misschien komt het er nog van dat we straks grond over hebben.”
Schaduwen
De verdomhoek waar de boeren zich momenteel in bevinden, illustreert wat er in de gebiedscommissie bij elkaar komt, zegt Benedictus. “Het gaat over zoveel meer dan orchideeën en libellen. We moeten over onze schaduwen heen stappen om elkaars bestaansrecht te verzekeren.” Landschapsbeheer kan niet zonder boerenarbeid, maar daar moet dan wel wat tegenover staan. Dat besef leeft nog onvoldoende in de samenleving, aldus de natuurvertegenwoordiger. Op hun beurt moeten de boeren onderkennen dat waterkwaliteit van levensbelang is voor de natuurwaarden, ook daar ontbreekt het nog weleens aan. Wat hem betreft had het Rijk nooit de subsidie voor de agrarische natuurverenigingen moeten afschaffen, die vormden juist de ontbrekende schakel. Hij heeft bij Fryslân gepleit voor terugkeer van de verenigingen met provinciale ondersteuning.
De provincie laat meer liggen, aldus Nijboer en Benedictus. De Staten hebben de uitvoeringsregels met zoveel waarborgen omkleed dat in de praktijk kansen worden gemist. Nijboer: “Handel is handel, als je het juiste moment weet te pakken. Door de vertragende voorwaarden gaat dat moment vaak voorbij, tot frustratie van betrokkenen. Dat doet de zaak geen goed en later betaal je de hoofdprijs.”











