
Als het weer het maar even toelaat, trekt Jan Wouda na het voeren de stoel erbij. Voor de hokken gaat hij dan gewoon een tijdje zitten kijken hoe zijn Drentse krielen rondscharrelen. De aanblik verveelt nooit. Het fokken en houden van kippen zit hem in de genen, vermoedt Wouda, al moeten zijn broers er weer niks van hebben. “Earder hiene wy thús in grutte tún, wêr’t heit ús griente ferbouwde. Der strúnden ek allegear bisten rûn: hintsjes, kninen, mar ek skiep en geiten. Heit hie fan alles.” Het was dan ook heit die hem als kleine jongen lid maakte van de Kleindierenvereniging Gorredijk en Omstreken. Nu ruim vijftig jaar later is Wouda nog altijd fanatiek lid. “Ik ha earst 25 jier lang mei kninen fokt. Hollanderkes, ek moai, mar dêr hast in protte wurk fan.“ Het elke week uitmesten van de hokken ging hem op den duur tegenstaan, van kippen heb je nu eenmaal minder werk. En in de kippenfokkerij ligt ook een grotere uitdaging. Wouda wijst op de ‘Standaard van hoender- en dwerghoenderrassen’, die een vast plekje heeft op de hoek van de eetkamertafel. De uitgave van de landelijke bond is zijn bijbel, daarin staan alle in Nederland erkende rassen tot in detail beschreven. “It stribjen fan ús fokkers is om it ideaalbyld fan in ras werom te krijen.”
De Drentse hoen neemt een aparte plek in, de oorsprong van het veelkleurige ras gaat terug tot de zeventiende eeuw. Doordat Drenthe eeuwenlang moeilijk bereikbaar was voor de rest van de wereld, ontstond door kruisingen met rasloze hoenders een bontgevarieerd ras. Levendig en sterk omdat het op de schrale boerenerven zelf zijn kostje bij elkaar moest scharrelen. Van nature schuw om de overlevingskansen te vergroten, vertelt Wouda. “Fansels hiene de lytse Drintse boerkes de hintsjes foar de aaien en it fleis, se woene der net te folle wurk fan ha.” Net als in de rest van Nederland bracht de Tweede Wereldoorlog een slag toe aan de variatie van de Drentse hoen. Nogal wat kleurslagen verdwenen noodgedwongen op het hakblok, geslacht om monden te voeden.
Luxe kippetje
De Drentse kriel is weer een kleinere variant van het grote Drentse hoen. “Eins in lúkse hintsje”, aldus Wouda. Hij fokt ‘patrijzen’, het ras is vernoemd naar de fraai gezoomde patrijsslagen. Met nog twee liefhebbers uit Groningen en Doezum wisselt hij zo nu en dan exemplaren uit om tot het beste resultaat te komen. “Wy helpe elkoar in bytsje. It giet net om ús mar om de hintsjes.” Want de fokkerij luistert nauw, in de praktijk gaan twee stappen vooruit maar al te vaak gepaard met één stap achteruit. “Moatst hieltyd in kar meitsje.” Zit er een foutje in dan gaat de kriel via Marktplaats naar een liefhebber die voor de aardigheid kippen houdt.Finale oordeel
Als de winter afloopt is het tijd om de eieren te vangen. Het uitbroeden gebeurt uit voorzorg machinaal. “Drintse krielen binne net gau brodsk en ek wat wispelturich. Se kinne sa mar fan de aaien fuortrinne: de iene bliuwt wol sitten, de oare net.” In het voorjaar groeien de kuikens dan op. Wouda gaat met de nieuwe lichting de komende tijd de tentoonstellingen af. Met drie krieltjes naar Jubbega, een week later met vier anderen naar Beilen en zo verder. “Kinst net hieltyd deselde hintsjes meinimme, dan reitsje se oer harren toeren.”Het finale oordeel komt van de keurmeesters, die kijken niet alleen naar bouw en uiterlijk, maar ook naar de kamvorm, de ronding van de kamhiel, de witte oortjes, de kinlelletjes, de kleurtekening en het leiblauw van de poten. Na 25 jaar fokken, zit Wouda tegen het ideaalbeeld aan, doorgaans scoren zijn krieltjes het predicaat ‘fraai’, zo rond de 95 van de honderd punten. En af en toe heeft hij een uitschieter naar ‘zeer goed’. “De keunst is dan om it resultaat fêst te hâlden.”






