
De steenmarter is niet de enige plunderaar van weidevogelnesten, maar wel de grootste veelvraat in het boerenland tussen de Dulfpolder en de Leppedyk bij Nij Beets. In een stukje plasdrasgebied dat aan de zandput grenst proberen vogelaar Martin Slager en jager Koop Kooi in het broedseizoen aan eieren te redden wat er te redden valt. Twee Don Quichotten tegen beter weten in? “Wy kinne ús net dellizze by de delgong fan de greidefûgels.”
Koop, die al zijn hele leven in de polder woont, weet nog hoe het was. “Tureluurs, ljippen, skriezen: it tilde hjir op fan de fûgels. En yn ien kear wie it oer, de ôfrûne jierren sjochst neat mear.” Martin wijt de drastische afname vooral aan de verdroging. Die leidt tot voedselschaarste voor de vogels: wormen trekken zich dieper terug in de bodem, voor kuikens zijn er te weinig insecten. Door de verdroging schuiven de jachtgronden van marterachtigen en vos ook steeds verder op naar de nattere lager gelegen gebieden. Zo heeft ook de das zich al laten zien. Allemaal roofdieren die hier voorheen niet voorkwamen. En dan zijn ook de ooievaren nog steeds aan een opmars bezig. “Tefolle predatoaren fiskje yn deselde fiver. Dêr kinne de weidefûgels net tsjinop.” Het stukje plasdras van vier hectare waarin Martin en Koop opereren is aangewezen als een van de tien pilotgebieden die de kentering teweeg moeten brengen in de neergang van de weidevogelstand. Het initiatief komt van agrarische natuurvereniging ELAN, de vogelwachters van de Bond Friese VogelWachten en de provincie. Een diversiteit aan partijen, maar de opgaaf vraagt dan ook om op elkaar afgestemde ingrepen en maatregelen. Het plasdraslandje is er één van vier in een aaneengesloten gebied dat in totaal 300 hectare beslaat. De landeigenaren hebben het waterpeil in de sloten verhoogd, in het vroege voorjaar ruige mest uitgereden, en stellen maaitijden uit. De boeren ontvangen compensatie voor de verminderde opbrengsten. Daarnaast verleent de provincie speciale ontheffing om de predatiedruk terug te dringen.
Vanwege de beschermde status van de marter stelt de provincie strenge voorwaarden. De vangst loopt van 1 januari tot 1 juli, een jachtakte is vereist, en zogende vrouwtjes moeten met rust worden gelaten. Provinciale ecologen houden het verloop nauwlettend in de gaten en stellen telkens het vangstquotum bij. Loopt een marter in de val, dan moet het dier binnen acht uur worden bezocht en geëuthanaseerd. Ecologen van de provincie zien op de uitvoering toe. De dode marters worden ingeleverd en gaan voor onderzoek naar de Universiteit Utrecht.
Koop, die al zijn hele leven in de polder woont, weet nog hoe het was. “Tureluurs, ljippen, skriezen: it tilde hjir op fan de fûgels. En yn ien kear wie it oer, de ôfrûne jierren sjochst neat mear.” Martin wijt de drastische afname vooral aan de verdroging. Die leidt tot voedselschaarste voor de vogels: wormen trekken zich dieper terug in de bodem, voor kuikens zijn er te weinig insecten. Door de verdroging schuiven de jachtgronden van marterachtigen en vos ook steeds verder op naar de nattere lager gelegen gebieden. Zo heeft ook de das zich al laten zien. Allemaal roofdieren die hier voorheen niet voorkwamen. En dan zijn ook de ooievaren nog steeds aan een opmars bezig. “Tefolle predatoaren fiskje yn deselde fiver. Dêr kinne de weidefûgels net tsjinop.” Het stukje plasdras van vier hectare waarin Martin en Koop opereren is aangewezen als een van de tien pilotgebieden die de kentering teweeg moeten brengen in de neergang van de weidevogelstand. Het initiatief komt van agrarische natuurvereniging ELAN, de vogelwachters van de Bond Friese VogelWachten en de provincie. Een diversiteit aan partijen, maar de opgaaf vraagt dan ook om op elkaar afgestemde ingrepen en maatregelen. Het plasdraslandje is er één van vier in een aaneengesloten gebied dat in totaal 300 hectare beslaat. De landeigenaren hebben het waterpeil in de sloten verhoogd, in het vroege voorjaar ruige mest uitgereden, en stellen maaitijden uit. De boeren ontvangen compensatie voor de verminderde opbrengsten. Daarnaast verleent de provincie speciale ontheffing om de predatiedruk terug te dringen.
Aanwas
In 2019 telde fûgelwachter Martin vorig jaar zestig paartjes kieviten, tien paartjes tureluurs en nog eens tien paartjes scholeksters in het plasdrasgebied. “Net folle, mar al better as it west hat.” Vorig jaar leverde de aanwas honderd nesten op. Met door de provincie beschikbaar gestelde cameravallen brachten Martin en Koop de ontwikkelingen rond de nesten in beeld. De beelden waren duidelijk: zeventig procent van de eieren viel ten prooi aan de vraatzucht van de steenmarter. Nesten die wel uitkwamen, konden rekenen op bezoek van de vos. “Mei it bewiis op byld ha wy foar dit jier in jachtûntheffing tawiisd krigen”, aldus Koop.Vanwege de beschermde status van de marter stelt de provincie strenge voorwaarden. De vangst loopt van 1 januari tot 1 juli, een jachtakte is vereist, en zogende vrouwtjes moeten met rust worden gelaten. Provinciale ecologen houden het verloop nauwlettend in de gaten en stellen telkens het vangstquotum bij. Loopt een marter in de val, dan moet het dier binnen acht uur worden bezocht en geëuthanaseerd. Ecologen van de provincie zien op de uitvoering toe. De dode marters worden ingeleverd en gaan voor onderzoek naar de Universiteit Utrecht.






