Algemeen

Plotse invasie van ooievaars in Bakkeveen: “De tamtam fan de earrebarres”

Door: Redactie

BAKKEVEEN - De ooievaar is weer helemaal terug in Fryslân. Langs de weg van Beetsterzwaag naar Gorredijk zitten alleen al tientallen nesten. Maar opeens is er ook een kleine kolonie in Bakkeveen. Hoe kan dat? “It komt op de tamtam fan de earrebarres.”

Afbeelding
Foto: Johan Visser

Vorig jaar waren er in Bakkeveen minder dan tien nesten te vinden. Dit voorjaar zijn het er plots meer dan twintig. Een kleine invasie van ooievaars. Met nesten aan de stille kant van de vaart richting Siegerswoude en vooral rondom restaurant De Slotplaats waar alleen al tien nesten zijn gebouwd.

Goed leefgebied

Haye Folkertsma (68) van Stichting It Eibertshiem uit Earnewâld kijkt zijn ogen uit in Bakkeveen, als hij links en rechts de nesten ontdekt. Overal om De Slotplaats heen zitten ooievaars te broeden. Een paar op oude nesten, maar de meesten op pas gebouwde nesten. Sommige ooievaars zitten op half gekapte bomen, zodat de ooievaars en hun jongen duidelijk zichtbaar zijn. Weer anderen zitten hoog verscholen tussen de bladeren. Haye Folkertsma houdt zich al tientallen jaren bezig met de ooievaar en loopt goedkeurend rond. “Earrebarres meitsje in nêst wêr’t se in goed útsicht ha en wêr’t se maklik oanfleane kinne.”


Haye Folkertsma

Folkertsma is verbaasd over het aantal ooievaars dat in Bakkeveen is neergestreken. Volgens hem zou het kunnen dat ze vanaf Beetsterzwaag en Lippenhuizen langs het Koningsdiep hiernaartoe getrokken zijn. “Se nimme oaren mei nei in goeie biotoop, harren leefgebiet.” Het komt dan op de ‘ooievaars tamtam’, volgens Haye Folkertsma.

Een goed leefgebied voor een ooievaar is drassige weidegrond waar veel regenwormen, slakken, mollen en muizen voorkomen. Vlakbij De Slotplaats loopt een ooievaar geconcentreerd door het weiland, waarbij hij elke tien seconden iets weggrist tussen de grassprieten. Vooral regenwormen zijn geschikt voedsel voor de hongerige jongen. Een mol of muis staat alleen op het menu van de ouders. “Minsken tinke altyd dat earrebarres kikkerts en jongen fan weidefûgels opite, mar dat ha ik yn al dy jierren selden sjoen.”

Vliegen kost energie

Als de jongen groot genoeg zijn, oefenen ze hun eerste vliegoefeningen boven het nest. Ze springen omhoog en slaan voor het eerst hun vleugels uit en vliegen weldra van het nest. De ouders voeden de jongen nog een paar weken en dan moeten ze zelf voedsel zien te vinden in de weilanden rondom het nest. “Earrebarres sykje binnen twa-en-in-heale kilometer fan harren nest om iten. Fierder gean se net. In earrebarre hâldt net fan fleanen. Dat kostet te folle enerzjy.”


Foto: Johan Visser

Zijn er dus te veel ooievaars in een klein gebied, dan is er te weinig voedsel in de nabijheid. Verder van het nest af naar voedsel zoeken, willen ze niet. Dus bouwen ze een nest elders, waar wel voldoende voedsel is. Maar ooievaars zijn erg trouw aan hun nest en verhuizen niet snel. Vrijwel elk jaar komen de ooievaars terug op hun oude nest om het weer te verbouwen en uit te breiden. Uiteindelijk kan een nest honderden kilo’s wegen.

In Beetsterzwaag is de rek eruit

In Beetsterzwaag is de rek er de laatste jaren uit en is het aantal nesten vrijwel gelijk gebleven. Vorig jaar waren daar 56 nesten en 81 jongen. Gemiddeld komen er vier jongen per nest, maar meer dan de helft van alle ooievaarsjongen overleeft het niet. Velen sterven een vroege dood. De meest kwetsbare periode is juni als het koud is en veel regent. “De jongen hawwe dan noch gjin fearren, mar binne wol al ridlik grut. De âlden kinne har net mear goed tadekke en sa gean folle dea.”

It hinget allegear ôf fan de mooglikheid om in nêst te bouwen en foaral it oanbod fan iten

De jongen vertrekken in het najaar naar warmere oorden zoals Spanje en Portugal of nog zuidelijker, naar Afrika. De ouders vertrekken later. Ze vliegen over land en steken daarom bij Gibraltar over naar Afrika, zodat ze niet over de Middellandse Zee hoeven te vliegen. “De jongen bliuwe twa jier yn Afrika en komme dêrnei pas wer werom. De nije earrebarres hjir yn Bakkefean binne dus net de jongen fan de earrebarres dy’t hjir al sieten.”

Georganiseerde groepsreis

Niet alle ooievaars overwinteren in het warme Zuiden. Een klein deel van de Friese ooievaars blijft in Nederland en brengt de winter door in de nabijheid van vuilstortplaatsen in bijvoorbeeld Noord-Brabant. Daar is zelfs in de winter voldoende eten te vinden. In februari komen ze dan weer terug naar Beetsterzwaag en Bakkeveen waar ze de andere ooievaars weer treffen die helemaal uit Afrika zijn komen vliegen. De winterse trektocht lijkt op een georganiseerde groepsreis. Ooievaars uit allerlei dorpen in Fryslân spreken met elkaar af of komen elkaar onderweg tegen op een pleisterplaats. Folkertsma: “Ik ha it wol meimakke dat ik de iene dei wol fyftich seach en dat se in dei letter allegear fuort wienen.”

Hoe denkt hij dat Bakkeveen zich als ooievaarsdorp gaat ontwikkelen de komende jaren? “Miskien takom jier wol tritich nêsten. It hinget allegear ôf fan de mooglikheid om in nêst te bouwen en foaral it oanbod fan iten.”

Wie meer wil weten of zien over ooievaars kan terecht op de website ooievaars.nl. Hier zijn ook live beelden te volgen van een ooievaarsnest in Earnewald.

Tekst: Remco Hofman
Foto’s: Johan Visser