Museum van de gewone man

Mijnlamp 461 van Jan IJsbrandy

Kompeluitrusting

Museum van de gewone Man.
Museum van de gewone Man. Museum van de gewone Man. Jan IJsbrandy.
Net drie jaar oud ‘emigreerde’ Jan IJsbrandy van Leeuwarden naar Zuid-Limburg. In 1952 ging zijn vader in de Emmamijn werken. Halverwege de jaren zestig keerde het gezin weer terug naar Friesland. “Mijn zachte g ben ik nooit helemaal kwijtgeraakt.”
Jullie moeten eigenlijk naar een hoger gelegen streek verhuizen, zei de huisarts. Het vochtige klimaat van Leeuwarden was bepaald niet bevorderlijk voor de chronische astma van moeder Hieke. “Mijn vader Chris was een avontuurlijke man. Op een ronselavond in een gebouwtje bij De Groene Weide tekende hij prompt voor de Emma. Er stond al een huis voor zijn gezin klaar, vertelden de mensen van de Staatsmijnen. Een ongekende luxe in die tijd.” Zo belandde Jan met zijn twee broertjes en zijn zusje in ‘de kolonie’, de mijnwerkerswijk van Sittard. “Daar hoorde je alle dialecten van Nederland door elkaar, maar de saamhorigheid was groot.” In de buurt lagen wel zes kloosters met hun boomgaarden, de uitgestrekte heidevelden begonnen aan de rand van de wijk: een eldorado voor een opgroeiend kind. Jan kijkt met warmte terug op zijn jeugdjaren, de kompeluitrusting van zijn vader staat er symbool voor. Hij heeft alles nog: de draagbare accuhouder met mijnlamp nummer 461, het afsluitbare zakhorloge, de kledinghaak met zeepbakje die aan het plafond werd opgetrokken, het instructieboekje ‘Wat iedere ondergronder moet weten’. En de pungel, de geblokte handdoek waarin het pakje brood en de veldfles thee aangelengd met melk werd bewaard.
“Mijn vader draaide alleen maar nachtdiensten. In de mijn is het toch ook altijd nacht, zei hij. Om tien uur stapte hij op de mijnbus die hem voor de poort van de Emma in Brunssum afzette. Daar stapten de kompels in de schachtlift van drie verdiepingen die naar een diepte van 710 meter afzakte. Vandaar ging het met een treintje tot vrijwel onder Geleen, zo’n vijftien kilometer verderop. Het laatste stukje legden ze op de tandem af. Vanwege het stof en de benauwdheid door de ondergrondse warmte mocht een shift niet langer dan zes uur duren. Zo was mijn vader weer om acht uur thuis om met het gezin te ontbijten voordat wij naar school gingen.”

Rood hart

Later besefte Jan dat zijn vader nachtdiensten draaide om overdag zijn ziekelijke moeder in de huishouding bij te staan. “Mijn vader had een groot sociaal hart. Hij was ook een op-en-top rode vakbondsman; in verkiezingstijd hing bij ons steevast het PvdA-affiche voor de ruit. Daar ging een keer een baksteen door; socialisme kon vanzelf niet in een katholiek bolwerk als Sittard.” Jan hoorde zijn vader nooit klagen over het werk onder de grond. “Maar toen ik zei dat ik ook naar de mijnschool wilde, reageerde hij met: dan breek ik alle botten van je benen.”

Krijtje

In 1964 kwam zijn vader niet door de jaarlijkse keuring heen. “Hij was maaglijder, kauwde ondergronds altijd op een stukje schoolkrijt voor kalk.” Omdat mijnwerk bovengronds voor kneusjes was, solliciteerde vader bij Philips in Drachten en keerde het gezin terug naar Friesland. In de gemeenteraad van Smallingerland zou hij nog twintig jaar lang de PvdA vertegenwoordigen. Hij stierf, 72 jaar oud, aan longkanker als gevolg van het silicosestof dat zich onder in de longen had genesteld.

Museum van de Gewone Man

Iedereen heeft wel een voorwerp met een bijzonder verhaal, een voorwerp dat je nooit zou willen missen. Dat kan van alles zijn. Sa! maakt een serie over deze voorwerpen en deze verhalen. Heeft u ook een mooi verhaal bij een voorwerp, laat het ons dan weten. Mail naar redactie@sa24.nl of bel met 06 - 5247 1013. Dan tekenen wij uw verhaal op en geven het een plekje in ons Museum van de Gewone Man.