
Jullie moeten eigenlijk naar een hoger gelegen streek verhuizen, zei de huisarts. Het vochtige klimaat van Leeuwarden was bepaald niet bevorderlijk voor de chronische astma van moeder Hieke. “Mijn vader Chris was een avontuurlijke man. Op een ronselavond in een gebouwtje bij De Groene Weide tekende hij prompt voor de Emma. Er stond al een huis voor zijn gezin klaar, vertelden de mensen van de Staatsmijnen. Een ongekende luxe in die tijd.” Zo belandde Jan met zijn twee broertjes en zijn zusje in ‘de kolonie’, de mijnwerkerswijk van Sittard. “Daar hoorde je alle dialecten van Nederland door elkaar, maar de saamhorigheid was groot.” In de buurt lagen wel zes kloosters met hun boomgaarden, de uitgestrekte heidevelden begonnen aan de rand van de wijk: een eldorado voor een opgroeiend kind. Jan kijkt met warmte terug op zijn jeugdjaren, de kompeluitrusting van zijn vader staat er symbool voor. Hij heeft alles nog: de draagbare accuhouder met mijnlamp nummer 461, het afsluitbare zakhorloge, de kledinghaak met zeepbakje die aan het plafond werd opgetrokken, het instructieboekje ‘Wat iedere ondergronder moet weten’. En de pungel, de geblokte handdoek waarin het pakje brood en de veldfles thee aangelengd met melk werd bewaard.
“Mijn vader draaide alleen maar nachtdiensten. In de mijn is het toch ook altijd nacht, zei hij. Om tien uur stapte hij op de mijnbus die hem voor de poort van de Emma in Brunssum afzette. Daar stapten de kompels in de schachtlift van drie verdiepingen die naar een diepte van 710 meter afzakte. Vandaar ging het met een treintje tot vrijwel onder Geleen, zo’n vijftien kilometer verderop. Het laatste stukje legden ze op de tandem af. Vanwege het stof en de benauwdheid door de ondergrondse warmte mocht een shift niet langer dan zes uur duren. Zo was mijn vader weer om acht uur thuis om met het gezin te ontbijten voordat wij naar school gingen.”












