
Vanaf het bankje van de vergeelde foto, boven op de berg, belde Hennie Dillingh uit Beetsterzwaag met haar vader. “Zie je de rivier in de diepte?” Ja, die zag ze. “En links het slot?” Ja, precies zoals hij beschreef. De fabriek stond er niet meer, die hadden de Duitsers zojuist gesloopt, de brokstukken lagen er nog. “Ik hier, mijn vader op afstand en toch zo dichtbij. Op dat moment schoot ik vol.”
Als klein meisje hing ze aan haar vaders lippen als hij vertelde over de gedwongen tewerkstelling in de smerige lawaaierige viscosefabriek in Duitsland. “Hij sprak er altijd heel openlijk over. Over hoe hard ze moesten werken onder erbarmelijke omstandigheden. Over het slechte eten. Maar ook over de lieflijke natuur en de prachtige omgeving. En dat er behalve nazi’s ook fatsoenlijke Duitsers bestonden. Hij vertelde geen zwart-witverhaal, misschien dat het daarom zo’n indruk maakte.” In september 1942 wordt Nico Dillingh, kerkorganist en werkzaam in de manufacturenzaak van Appelscha, opgeroepen voor de Arbeidsinzet. Hennie haalt het oproepformulier met de stempels uit een map. “Onbegrijpelijk toch, dat de gemeente Ooststellingwerf daaraan meewerkte? Maar even onbegrijpelijk dat mijn vader er gehoor aan gaf. Hij had mijn moeder nog maar net ontmoet.” Het is achteraf praten, weet Hennie ook wel. Haar vader was christelijk en gezagsgetrouw opgevoed. Bovendien dacht in ’42 nog niemand in Appelscha na over onderduiken.
De dan 21-jarige Nico komt terecht in een kamp bij het dorpje Schwarzburg in Thüringen waar hij vriendschap sluit met andere tewerkgestelden. In spaarzame uurtjes, voor even verlost van het zware ongezonde werk in de oorlogsfabriek, trekken de jonge lotgenoten eropuit om de omgeving af te struinen. Met een Ausweis op zak, de bewegingsvrijheid blijft beperkt. Een kameraad van haar vader moet ondanks de omstandigheden in het bezit zijn geweest van een camera, want er zijn foto’s bewaard. Zoals die waarop haar vader op een bruggetje over de rivier Schwarza uitkijkt, waar hij poseert voor Schloss Schwarzburg, de groepsfoto langs de rand van het natuurbad. Of die van vader zittend op het bankje en uitkijkend over het dal. Het lijken wel vakantiekiekjes. “Dat heb ik altijd het dubbele eraan gevonden.”
Na anderhalf jaar slavenarbeid mag vader voor even op verlof terug naar Appelscha. Hij vindt in Smilde direct een onderduikplek op de ouderlijke boerderij van zijn toekomstige vrouw Sjoukje. “Een hol in de hooiberg dat mijn moeder afdekte als er gevaar dreigde.” Na de bevrijding zal haar vader nog een jaar lang de administratie verzorgen in Westerbork, inmiddels het interneringskamp voor NSB’ers. “In 1946 is de oorlog dan echt afgelopen en trouwen mijn ouders.”
Als klein meisje hing ze aan haar vaders lippen als hij vertelde over de gedwongen tewerkstelling in de smerige lawaaierige viscosefabriek in Duitsland. “Hij sprak er altijd heel openlijk over. Over hoe hard ze moesten werken onder erbarmelijke omstandigheden. Over het slechte eten. Maar ook over de lieflijke natuur en de prachtige omgeving. En dat er behalve nazi’s ook fatsoenlijke Duitsers bestonden. Hij vertelde geen zwart-witverhaal, misschien dat het daarom zo’n indruk maakte.” In september 1942 wordt Nico Dillingh, kerkorganist en werkzaam in de manufacturenzaak van Appelscha, opgeroepen voor de Arbeidsinzet. Hennie haalt het oproepformulier met de stempels uit een map. “Onbegrijpelijk toch, dat de gemeente Ooststellingwerf daaraan meewerkte? Maar even onbegrijpelijk dat mijn vader er gehoor aan gaf. Hij had mijn moeder nog maar net ontmoet.” Het is achteraf praten, weet Hennie ook wel. Haar vader was christelijk en gezagsgetrouw opgevoed. Bovendien dacht in ’42 nog niemand in Appelscha na over onderduiken.
De dan 21-jarige Nico komt terecht in een kamp bij het dorpje Schwarzburg in Thüringen waar hij vriendschap sluit met andere tewerkgestelden. In spaarzame uurtjes, voor even verlost van het zware ongezonde werk in de oorlogsfabriek, trekken de jonge lotgenoten eropuit om de omgeving af te struinen. Met een Ausweis op zak, de bewegingsvrijheid blijft beperkt. Een kameraad van haar vader moet ondanks de omstandigheden in het bezit zijn geweest van een camera, want er zijn foto’s bewaard. Zoals die waarop haar vader op een bruggetje over de rivier Schwarza uitkijkt, waar hij poseert voor Schloss Schwarzburg, de groepsfoto langs de rand van het natuurbad. Of die van vader zittend op het bankje en uitkijkend over het dal. Het lijken wel vakantiekiekjes. “Dat heb ik altijd het dubbele eraan gevonden.”
Na anderhalf jaar slavenarbeid mag vader voor even op verlof terug naar Appelscha. Hij vindt in Smilde direct een onderduikplek op de ouderlijke boerderij van zijn toekomstige vrouw Sjoukje. “Een hol in de hooiberg dat mijn moeder afdekte als er gevaar dreigde.” Na de bevrijding zal haar vader nog een jaar lang de administratie verzorgen in Westerbork, inmiddels het interneringskamp voor NSB’ers. “In 1946 is de oorlog dan echt afgelopen en trouwen mijn ouders.”












